02 363 12 11

Nierinsufficiëntie

Injectie van jodiumhoudende contraststof kan bij een aantal patiënten een meestal voorbijgaande achteruitgang van de nierfunctie veroorzaken. Het serumcreatinine stijgt 48-72 uur na injectie en daalt gewoonlijk weer tot de uitgangswaarde 7-14 dagen na het onderzoek. Contrastnefropathie treedt op bij ongeveer 20% van de patiënten met risicofactoren.

1. Risicofactoren zijn :

  • Een vooraf bestaande nierinsuffiëntie (geraamde creatinine clearance < 60 ml/min)
  • Diabetische nefropathie
  • Dehydratatie, hypotensie, hypovolumie, nefrotische syndroom, ernstig hartfalen, hemodynamische stoornissen, ...
  • Sommige medicatie (Cysplatinum, NSAID's, sommige diuretica, Coxibderivaten, ...)
  • Multiple myeloma
  • Contrastinjectie gedurende de voorbijgaande drie dagen
  • Leeftijd : >65 jaar.

Daarom is het aangewezen om over een recent bloedonderzoek te kunnen beschikken met raming van de creatinineclearance.

2. Bij verminderde nierfunctie (creatinineklaring < 60 ml/min) moet voldoende vocht worden toegediend.

Mogelijke schema’s van vochttoediening zijn:

Perorale vochttoediening:
24 uur voor en na het onderzoek veel zout (gewoon keukenzout) toevoegen aan het eten en veel drinken (minstens 2 l per dag) ofwel 2 l mineraalwater drinken dat veel natriumbicarbonaat bevat (bijv. Vichywater). In geval van vochtopstapeling (gezwollen benen, hartzwakte …) mag de patiënt geen keukenzout innemen en mag hij alleen mineraalwater met natriumbicarbonaat drinken.

Intraveneuze vochttoediening:
250 ml 1,4 % NaHCO3 / 1 uur ( Nephrol Dial Transplant. 2014 May ; 29 ( 5 ) 1029-36) 

Bij dialysepatiënten:
•  Bij behandeling met hemodialyse of peritoneale dialyse mag het onderzoek worden uitgevoerd zonder rekening te houden met de dialysesessie
•  Meestal hoeft er geen extra dialysesessie te worden voorzien 

Vochttoediening: natriumchloride of natriumbicarbonaat?
Natriumchloride verhoogt het totale lichaamswater, natriumbicarbonaat doet dat veel minder of niet. In alle situaties waarin zoutbeperking geïndiceerd is (hartdecompensatie, oedemen, hypertensie …), wordt om die reden de voorkeur gegeven aan natriumbicarbonaat.

† In geen enkel geval hypertone natriumbicarbonaatzakjes toedienen.

3. Bij een clearance < 30 ml/min

Bij een ernstige nierinsufficiëntie mag een jodiumhoudende contraststof alleen worden toegediend onder intraveneuze vochttoediening, als de gewenste informatie niet met een ander onderzoek kan worden verkregen en als de mogelijke voordelen van het onderzoek opwegen tegen het risico op verdere achteruitgang van de nierfunctie. Die beslissing moet door de arts worden genomen.

4. Verder:

  • Methformine - elke situatie apart beoordelen. Indien normale nierfunctie hoeft metformine niet te worden onderbroken. Als echter een contrastnefropathie optreedt, moet metformine tijdelijk worden onderbroken. Patiënten met nierinsufficiëntie (creatinineklaring < 45 ml/min): metformine stopzetten de dag van het onderzoek of 48 uur op voorhand en pas hervatten 2-3 dagen na het onderzoek ALS de nierfunctie stabiel blijft.
  • Bij platinum houdende medicatie, wordt best een interval van 7 dagen gerespecteerd.
  • Tussen twee opeenvolgende onderzoeken met intraveneuze contrastinjectie wordt best 3 dagen gelaten.